Bijgewerkt: 03/01/2012.
De sectorale collectieve overeenkomst 2011-2012 is van toepassing op alle werkgevers, arbeiders en arbeidsters van de bedrijven die tot het Paritair Subcomité voor de metaalrecuperatie (PSC 142.01) behoren.
Deze samenvatting bevat natuurlijk niet alle details van de onderhandelde overeenkomsten binnen het paritaire comité. Wenst u meer informatie, aarzel dan niet om contact op te nemen met uw vakbondsafgevaardigden, uw gewestelijk secretaris of één van de MWB-ABVV kantoren.
De minimumuurlonen en de effectieve uurlonen worden op 1 januari 2012 verhoogd met 0,3%.
De automatische aanpassing van de lonen aan de index blijft behouden. De minimumuurlonen en de effectieve uurlonen worden dus geïndexeerd. De volgende indexaanpassing vindt plaats op 1 januari 2012. Ze wordt toegepast na de hierboven vermelde loonsverhoging met 0,3%.
Ingevolge het Interprofessioneel Akkoord 2009-2010 (IPA) werd er een sectoraal systeem van ecocheques ingevoerd (ecocheques zijn bestemd voor de aankoop van milieuvriendelijke producten en diensten; ze zijn vrijgesteld van belastingen en van sociale bijdragen). Dit systeem wordt verlengd: het voorziet in de betaling van ecocheques aan elke voltijdse arbeider in twee halfjaarlijkse schijven, waarbij elke schijf een waarde heeft van 125 euro. De ecocheques worden als volgt uitbetaald:
In de volgende gevallen wordt er aan de arbeiders een proratabedrag betaald:
De volgende dagen worden gelijkgesteld met arbeidsdagen: tijdelijke werkloosheid, arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of arbeidsongeval, ouderschapsverlof.
Dit systeem van ecocheques wordt voor onbepaalde duur ingevoerd.
Een alternatieve besteding van deze ecocheques is mogelijk als twee voorwaarden vervuld zijn: het jaarlijks bedrag van 2 x € 125 moet gegarandeerd zijn en er moet een collectieve ondememingsarbeidsovereenkomst worden gesloten vóór:
Op 1 januari 2011:
|
Categorieën |
Spanning |
Basis 38u |
|
|---|---|---|---|
|
A. Ongeschoolde |
100 |
€ 10,46 |
|
|
B. Gespecialiseerde 3e categorie |
112,5 |
€ 11,77 |
|
|
C. Gespecialiseerde 2e categorie |
125 |
€ 13,08 |
|
|
D. Gespecialiseerde 1e categorie |
132 |
€ 13,81 |
|
|
E. Gespecialiseerde |
140 |
€ 14,64 |
|
Vanaf 1 oktober 2007 wordt er een anciënniteitstoeslag toegekend op het uurloon van de arbeiders die de volgende anciënniteit hebben opgebouwd binnen de onderneming:
Op deze manier stijgt sinds 1 oktober 2007 het loon van een arbeider die 20 jaar of meer anciënniteit heeft in de onderneming met een anciënniteitstoeslag van € 0,10/uur en verhoogt het loon van een arbeider met 30 jaar of meer anciënniteit met € 0,15/uur.
Deze forfaitaire verhoging wordt toegekend in de maand volgend op de maand waarin de hierboven vermelde anciënniteit verworven is. Voor de berekening van de anciënniteit wordt er rekening gehouden met de datum van indiensttreding.
Deze forfaitaire verhoging wordt toegekend ongeacht de uurregeling die van toepassing is op de arbeider. Bovendien wordt deze vergoeding elk daaropvolgend jaar uitbetaald.
Het bedrag van de eindejaarspremie is gelijk aan 9,1 % van het effectieve bruto jaarloon van de arbeider (zonder premies voor het presteren van overuren) dat ontvangen werd tijdens de referentieperiode die loopt van 1 december van het vorige jaar en tot 30 november van het lopende jaar.
De premie is verschuldigd op voorwaarde dat de arbeider op 30 november van het referentiejaar een jaar anciënniteit in het bedrijf heeft. Arbeiders die sinds drie maanden of korter werken, hebben recht op een premie die overeenstemt met 9,1% van het brutoloon dat zij tijdens de referentieperiode verdienden.
Vanaf 1 december 2009 wordt het aantal gelijkgestelde dagen in geval van tijdelijke werkloosheid, ongeval of ziekte beperkt tot 60 dagen, op voorwaarde dat de arbeidsongeschiktheid een ononderbroken duur heeft van 14 kalenderdagen. De volgende dagen worden eveneens gelijkgesteld: syndicale vorming, zwangerschapsverlof, familiaal verlof, feestdagen, enz.
|
Algemeen stelsel |
Werkgever |
Werknemer |
|---|---|---|
|
minder dan 5 jaar anciënniteit 5 - 9 jaar anciënniteit 10 – 14 jaar 15 – 20 jaar meer dan 20 jaar |
35 dagen 42 dagen 56 dagen 84 dagen 112 dagen |
14 dagen 14 dagen 21 dagen 21 dagen
|
|
Bij brugpensioen (*) |
Werkgever |
|
|
minder dan 20 jaar anciënniteit meer dan 20 jaar anciënniteit |
28 dagen 56 dagen |
|
(*) Ook bij vertrek op rustpensioen vanaf de publicatie in het Belgisch Staatsblad van het KB met betrekking tot de opzegtermijn.
Vanaf 1 januari 2012 heeft de arbeider recht op 1 vakantiedag na 20 jaar anciënniteit in het bedrijf en op 2 vakantiedagen na 30 jaar anciënniteit in het bedrijf. De toekenning van deze extra vakantiedag(en) vindt plaats in het betrokken kalenderjaar. De arbeider behoudt deze anciënniteitsdag(en) ook de volgende jaren.
Er wordt 1 extra vakantiedag toegekend als de arbeider een anciënniteit van 10 jaar in het bedrijf heeft. Deze vakantiedag blijft niet behouden: de arbeider heeft er alleen maar recht op in het kalenderjaar waarin 10 jaar anciënniteit in het bedrijf heeft.
De CAO’s met betrekkking tot het brugpensioen die op ondernemingsvlak bestaan, worden vanaf 1 juli 2012 verlengd tot 30 juni 2014.
Brugpensioen op 58 jaar voor mannen en vrouwen:
Brugpensioen op 57 jaar voor mannen en vrouwen na een loopbaan van 38 jaar.
Brugpensioen op 56 jaar voor mannen en vrouwen na een loopbaan van 40 jaar: verlenging tot 31 december 2012.
Inzake brugpensioen wordt de volgende procedure aanbevolen: ten laatste één maand voor het bereiken van de brugpensioenleeftijd nodigt de werkgever de betrokken arbeider uit voor een gesprek tijdens de werkuren op de zetel van de onderneming. Tijdens dit gesprek kan de arbeider/arbeidster zich laten bijstaan door zijn/haar vakbondsafgevaardigde. Bij deze gelegenheid zullen de modaliteiten bepaald worden, zowel met betrekking tot het vertrek van de bruggepensioneerde als de opleiding van zijn/haar vervanger.
De regeling die reeds voor onbepaalde duur bestond, blijft behouden. Hierin werd overeengekomen dat geen enkele werkgever meervoudig ontslag kan doorvoeren vóór alle tewerkstellingsbehoudende maatregelen – met inbegrip van tijdelijke werkloosheid – uitgeput zijn. Voor arbeiders die ouder zijn dan 45 jaar wordt er prioritair gezocht naar maatregelen om de tewerkstelling te vrijwaren.
Bovendien werd er, om de werkzekerheidsclausule te verbeteren, door het akkoord 2001-2002 een sectorale tewerkstellingscel opgericht binnen het opleidingsinstituut Educam. Deze cel probeert vraag en aanbod in de sector beter op elkaar af te stemmen (onder meer door middel van een databank). Daarnaast willen we via Educam aan wedertewerkstellingsbegeleiding doen van met ontslag bedreigde en ontslagen arbeiders (eventueel door middel van aanvullende opleidingen en tijdens het sollicitatietraject) en op die manier het behoud van tewerkstelling binnen de sector garanderen.
Vanaf 1 januari 2010 worden alle aanvullende vergoedingen voor werkloosheid en ziekte verhoogd met 6,42 % (= indexaanpassing van de lonen in 2008 + 2009). De aanvullende vergoeding voor tijdelijke werkloosheid wordt verhoogd en geïndexeerd tot 6 euro.
Dit is een overzicht van de vergoedingen van het FBZ sinds 1 januari 2010 en die in 2011 en 2012 van kracht blijven:
|
I. Tijdelijke werkloosheid Voorwaarden: * de wettelijke werkloosheidsvergoedingen genieten * in dienst zijn bij een werkgever van de sector * minimaal 15 dagen anciënniteit hebben in het bedrijf |
€ 6 per werkloosheidsuitkering
€ 3 per halve werkloosheidsuitkering
max. 150 dagen per kalenderjaar
ook voor de nieuw afgestudeerden tijdens de wachttijd |
|
II. Volledige werkloosheid Voorwaarden: * de wettelijke werkloosheidsvergoedingen genieten * ontslagen zijn door een werkgever van de sector * minimaal 3 jaar anciënniteit in de sector van de metaalrecuperatie |
€ 5,73 per werkloosheidsuitkering
€ 2,86 per halve werkloosheidsuitkering
max. 150 dagen per kalenderjaar
|
|
III. Oudere werklozen zonder recht op conventioneel brugpensioen: * de wettelijke werkloosheidsvergoedingen genieten * ontslagen zijn door een werkgever van de sector * minstens 55 jaar oud zijn
|
€ 5,73 per werkloosheidsuitkering
€ 2,86 per halve werkloosheidsuitkering
tot aan het wettelijk pensioen |
|
IV. Brugpensioen
* minstens 3 jaar anciënniteit in de sectoren van het PC 142 |
* ten laste van het fonds: de helft van het verschil tussen het netto referentieloon (= laatste nettoloon) en de werkloosheidsuitkeringen. |
|
V. Ziekte
Voorwaarden: * in dienst zijn bij een werkgever van de sector * de wettelijke ziektevergoedingen genieten |
Na:
60 d.: € 62,67 120 d.: € 85,27 meer dan 120 d.: € 110,74
Beperkt tot maximaal € 590,90 per kalenderjaar. |
| VI. Oudere zieken
Voorwaarden: * in dienst zijn bij een werkgever van de sector * de wettelijke ziektevergoedingen genieten * ouder zijn dan 53 jaar |
€ 5,73 per ziektevergoeding
€ 2,86 per halve ziektevergoeding
tot aan het wettelijk pensioen
wachttijd van 30 kalenderdagen |
In 2011 en 2012 hebben arbeiders en arbeidsters die aangesloten zijn bij een van de organisaties die de werknemers vertegenwoordigen recht op een vakbondspremie als zij op 1 oktober van het lopende jaar ingeschreven zijn in het personeelsregister. De vakbondspremie bedraagt 110 euro voor alle leden die een maandelijkse bijdrage van minstens 14,5 euro betalen, 60 euro voor alle leden die een maandelijkse bijdrage tussen 9 en 14,5 euro betalen. Er wordt geen premie toegekend bij een maandelijkse bijdrage van minder dan 9 euro.
De bijdrage die bestemd is voor het sectoraal pensioenfonds wordt verhoogd tot 1,6% van de bruto bezoldiging van de arbeiders.
De werkgever betaalt een gedeelte van de vervoerskosten van de werknemer:
Bijdrage van de werkgever in de kosten van het woon-werkvervoer met een privévervoermiddel.

Als de arbeider de fiets gebruikt voor het woon-werkverkeer ontvangt hij een fietsvergoeding van € 0,21/km, met een minimum dat gelijk is aan de dagvergoeding die hij zou ontvangen voor het gebruik van een privévervoermiddel voor het woon-werkverkeer.
De bepalingen met betrekking tot opleidingen worden verbeterd en verlengd voor onbepaalde duur. De sectorale paritaire stuurgroep, die binnen Educam werd opgericht, zal zijn werkzaamheden verderzetten tijdens de duur van de overeenkomst en zal zich op de volgende elementen richten: het aanpassen van het aanbod aan opleidingen aan de behoeften, het invoeren van een individueel recht op opleiding, het invoeren van een systeem van opleidings-cv. De sociale gesprekspartners gaan de verbintenis aan om de nodige maatregelen te nemen om de participatiegraad van de arbeiders met 5% te verhogen tijdens de duur van het sectoraal akkoord 2011-2012.
Permanente vorming gebeurt tijdens de werkuren en dient maximaal te verlopen via de paritaire vormingsinstelling Educam. Er wordt aangeraden om de opleidingen die door de werkgever worden georganiseerd in een bedrijfsopleidingsplan op te nemen, dat door de vakbondsafvaardiging of de
ondernemingsraad van het bedrijf moet worden goedgekeurd. In ondernemingen waar zich problemen voordoen bij het opmaken en uitwerken van opleidingsplannen voor arbeiders die van het recht op vorming geen gebruik kunnen of willen maken, wordt een actieve rol toevertrouwd aan de Educamadviseurs.
Om opleidingen te organiseren buiten de arbeidsuren, moet er aan de volgende criteria worden voldaan:
De anciënniteit van een arbeider die, na het einde van een contract van bepaalde duur of een vervangingscontract, tewerkgesteld wordt met een contract van onbepaalde duur, wordt meegeteld bij de bepaling van de loonschaal.
Wanneer een arbeider tewerkgesteld wordt met een contract van onbepaalde duur voor dezelfde functie na meerdere contracten van bepaalde duur of vervangingscontracten van telkens minimaal 6 maanden, kan er geen nieuwe proefperiode meer worden overeengekomen.
Uitzendovereenkomsten die betrekking hebben op een tijdelijke vermeerdering van het werk moeten na een periode van zes maand omgezet worden in contracten van onbepaalde duur.
Om het kwalitatief karakter van het werk in de sector te controleren, mogen de bedrijven nog slechts dagcontracten gebruiken als dit absoluut noodzakelijk is en als het gaat om een opdracht met een reële duur van minder dan 5 werkdagen. Bij contracten van bepaalde duur of voor een duidelijk omschreven werk, of bij uitzendarbeid, moeten de bedrijven de bestaande collectieve arbeidsovereenkomsten toepassen voor wat de arbeidsvoorwaarden en lonen betreft.
Het sectorale model van loopbaanplanning voorziet in de volgende bepalingen:
Op ondernemingsniveau kan de bovengenoemde periode van één jaar verlengd worden tot maximaal 5 jaar en/of kan de drempel van 5% verhoogd worden.
In geval van een overgang van een deeltijds tijdskrediet of van een vermindering van de arbeidsprestaties (4/5e of halftijds) naar een voltijds brugpensioen, wordt de aanvullende vergoeding berekend alsof de arbeider zijn prestaties niet had verminderd (dus op basis van zijn oorspronkelijke voltijdse situatie).
Daarnaast geldt ook de wettelijke bepaling met betrekking tot loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof, palliatieve zorgen en medische bijstand aan een zwaar ziek familielid. Dit valt buiten de hierboven vermelde nieuwe regeling.
Opgelet!
Vanaf 1 juni 2007 werd het recht op tijdskrediet en loopbaanvermindering gewijzigd krachtens het generatiepact.
Er zal een paritaire enquête worden georganiseerd met betrekking tot ziektedagen en absenteïsme wegens van ziekte in de sector en in de ondernemingen. Deze enquête zal uiteindelijk gebruikt worden als basis voor de gesprekken in het kader van de uitbetaling van de carenzdag.